Ik zie het steeds vaker: organisaties die worstelen met snelle verandering, complexiteit, onzekerheid, en die daarop reageren met meer plannen, meer procedures, meer coördinatievergaderingen, alsof de wereld te temmen is met een betere Excel-sheet. Maar hoe meer ik probeer te plannen, hoe minder aanpasbaar ik word, en in een wereld die zo snel verandert is aanpasbaarheid precies waar het om gaat.

Ik zag het weer bevestigd op WOSonOS 2026 in Eindhoven: geef je de ruimte, dan komen mensen zelf met betere ideeën dan wat ik van tevoren had kunnen bedenken. Geen agenda die dat oplegt, gewoon mensen die samenkomen met een duidelijke drive om iets te veranderen.

Wat de geschiedenis leert

Ik heb zelf, met AI-ondersteuning bij het doorzoeken en clusteren, de proceedings van World Open Space on Open Space doorgenomen (1994-2025). Wat daaruit blijkt is opmerkelijk: de vier principes van Open Space zijn in dertig jaar niet veranderd. [Bron: OS94, OS96, OS97, OS99, OS06, VOS15, WOS25]

Terwijl managementmethoden komen en gaan, denk aan Six Sigma, Holacracy, Agile-washing, blijven deze vier zinnen overeind:

Niet omdat ze een managementtruc zijn, maar omdat ze beschrijven hoe zelforganisatie al werkt in systemen die complex zijn: je kan een bos niet managen alsof het een machine is, een markt niet plannen alsof het een fabriek is, een groep gemotiveerde mensen niet coördineren alsof het robots zijn.

Waarom dit werkt, en waarom het eng voelt

Het mooie van deze principes is dat ze zichzelf reguleren. Ze creëren een systeem waarin mensen zelf beslissen waar ze hun energie in steken, waarin goede ideeën aandacht trekken en zwakke een natuurlijke dood sterven, waarin de timing ontstaat uit het proces in plaats van uit een Gantt-chart, en waarin een afsluiting voelt als voltooiing, niet als “ik moest stoppen.”

Maar dit vraagt leiderschap, niet het soort dat alles bedenkt en controleert, het soort dat durft te vertrouwen en durft los te laten. Ik hoef het management niet te overtuigen met een PowerPoint over “agile transformatie” of “zelfsturende teams,” dat werkt niet. Het vraagt iets anders: dat ik de principes zelf leef, dat ik durf te zeggen “ik weet niet waar dit naartoe leidt, maar ik vertrouw op het proces.” Dat is eng. Dat voelt kwetsbaar. Maar dat is ook waarom het werkt.

Ik heb zelf vastgehouden aan een agenda, uit angst om los te laten. Dat gebeurt wanneer een opdrachtgever zegt: dit is voor mij niet voldoende, ik verwacht duidelijke resultaten. Op dat moment moet je als facilitator sterk in je schoenen staan om te zeggen dat het proces gewoon gevolgd wordt zoals het zich aandient. Ik heb geleerd dat die stevigheid niet ontstaat tijdens de Open Space zelf, ze ontstaat in de voorbereiding. Als ik de grenzen, de zogenaamde givens, niet vooraf duidelijk heb afgebakend met de opdrachtgever, komt die twijfel onvermijdelijk terug tijdens de sessie zelf. En dat wil je niet als facilitator: op dat moment moet je gewoon recht in je schoenen staan.

Dit doe je thuis al

Een vraag die ik mezelf vaak stel: waarom doe ik thuis zo anders dan op het werk? Thuis organiseer ik een familiefeest niet met een projectplan. Ik zeg: kom om zeven uur, breng iets lekkers mee, we zien wel waar de avond ons brengt. En wat gebeurt er? Mensen praten, ideeën ontstaan, iemand begint te zingen, iemand anders ruimt op zonder dat het gevraagd wordt.

Op het werk doe ik vaak alsof dat niet kan, alsof volwassenen plots geen verantwoordelijkheid meer kunnen nemen, alsof er een meeting nodig is om te bespreken wanneer we gaan vergaderen. De vier principes zeggen iets anders: geef mensen tijd en ruimte, en ze komen er zelf. Dat is geen naïeve hippie-ideologie, dat is hoe complexe systemen werken. Een lichaam organiseert zichzelf, een ecosysteem organiseert zichzelf, een markt organiseert zichzelf, met alle problemen van dien, maar nog altijd beter dan centrale planning.

Voor wie dit werkt

Deze principes werken niet overal. Ze werken wanneer er een echte drive is, niet “we moeten van het management,” wanneer de voorwaarden goed zijn: ruimte, tijd, veiligheid, en wanneer leiderschap durft te vertrouwen. Ik zie ze werken bij management en leiders die willen loslaten zonder controle te verliezen, bij transformatiemanagers die zien dat het oude niet meer werkt, bij stichtingen en verenigingen met gepassioneerde leden, bij non-profitgroepen die met minder middelen meer willen bereiken, bij grote bewegingen die samenwerking nodig hebben zonder hiërarchie, en bij een overheid die burgers echt wil betrekken. Ook in bedrijven werkt het, maar dan moet je stoppen met change management en beginnen met change hosting.

Wat je nu kan doen

Je hoeft niet meteen een Open Space voor vijfhonderd mensen te organiseren. Begin klein: de volgende keer dat je een meeting hebt waarvan je denkt dat het ook een mail had kunnen zijn, stel de vraag wat er besproken zou worden zonder agenda. Kijk wat er gebeurt, kijk wie er iets zegt die normaal niet aan het woord komt, kijk waar het gesprek naartoe gaat als je niet stuurt.

Of nog kleiner: observeer je eigen reactie wanneer iets anders loopt dan gepland. Voel je paniek, irritatie, nieuwsgierigheid? Dat zegt iets over hoeveel ruimte je zelf geeft aan zelforganisatie.

Een zelfregulerend systeem

Wat me telkens weer verbaast, ook na jaren van faciliteren, is dat de principes genoeg zijn. Ik hoef niet veel meer te doen dan de ruimte te creëren en de principes te benoemen. Het is een soort zelflerend systeem: goede ideeën krijgen aandacht omdat mensen er tijd in steken, minder goede ideeën verdwijnen omdat mensen hun twee voeten gebruiken, en de juiste mensen zijn wie er, om welke reden dan ook, prioriteit aan geeft. Dat werkt zowel wanneer iedereen het eens is als wanneer er meningsverschillen zijn: mensen kunnen praten over wat ertoe doet, zonder dat iemand vooraf bepaalt wat belangrijk is.

En dat is het mooie: je hoeft niet te kiezen tussen structuur en vrijheid. De principes geven structuur. Ze zijn sterker dan op het eerste gezicht lijkt.


Ik faciliteer Open Space en help mensen samenwerken zonder traditionele hiërarchie.

“Don’t push the river, it flows by itself” — een citaat uit de WOSonOS 2011- proceedings dat me is bijgebleven.